Inzending voor de NPO Schijfwedstrijd:

“Hatsjoe!!!!” haar niesbui laat de stofwolken opdwarrelen in het schaarse zonlicht dat door het smoezelige dakraampje naar binnen valt. Zoekend glijdt haar hand langs de vele foto-albums in het gammele rek voor haar. Rood, groen, bruin…. nee, wacht…. die grijze daar, dat is hem. Met kloppend hart nestelt ze zich met haar buit in de versleten chais longe, en terwijl ze de veren die wraakzuchtig in haar achterste prikken probeert te negeren slaat ze driftig de vergeelde bladzijden om. Baby, schoolmeisje, tiener…. Ja, hebbes!

Een kiekje van een vrolijk grijnzende jongeman in militair kostuum lacht haar toe.  T H E C, ’11 ’45, staat er in priegelig potloodschrift op de achterkant. Vlug laat ze het in de zak van haar vest verdwijnen en volgt dan haar neus langs de krakkemikkige vlisotrap naar beneden. Daar heeft haar broer zich inmiddels geïnstalleerd aan de afgeleefde eettafel. Het contrast met de hypermoderne koffiemachine in het midden is zodanig groot dat ze zich moet inhouden om niet in de lach te schieten.

In een poging dat te verbergen mompelt ze “zwart, niet te sterk graag,” in haar broers richting en grabbelt een broodje uit de zak naast de koffiemachine. “En, schiet je al wat op daarboven?” informeert hij voor hij met een druk op de knop het apparaat tot leven wekt. “Ja hoor, dat lukt prima,” antwoordt ze, en neemt om verdere vragen voor te zijn een flinke hap.

Ineens veert ze rechtop, daarbij de zojuist ingeschonken koffie over het aangebeten broodje stotend. Die kist, dat is het! Achtervolgd door de verontwaardigde scheldkanonnade van haar broer haast ze zich terug de zolder op. Struikelend over van alles en nog wat vindt ze, verstopt onder de chaise longe waar ze straks nog op zat, haar doelwit. De verroeste scharnieren piepen verontwaardigd als ze het deksel iets te vlug wil openen, maar al gauw geeft de kist zich gewonnen en vindt ze dat waar ze al zolang naar op zoek was. Daar, in dat bundeltje papier, staan dan eindelijk de antwoorden op de vragen die al zo lang door haar hoofd spoken.

Halifax, Canada, enkele weken later. Onder een dreigende hemel staan twee vrouwen zichtbaar ontroerd voor een grafsteen op het plaatselijke kerkhof. “Eindelijk, eindelijk krijg ik de kans om jullie om genade te vragen. Ik wilde wel, maar ik kon het niet…. Ik werd gedwongen om alle contact te verbreken, en ik was te zwak om daar tegenin te gaan…. Wil je me vergeven wat ik je aangedaan heb?” “And would you also apologise me, Bill?” richt de oudste van de twee zich richting haar dochter en daarna naar het graf. En terwijl haar dochter woordeloos knikt, prikt er als een teken van boven een zonnestraal door de grauwe lucht.